Mijn opa was een echte man

Liefde

Mijn opa was een echte man

Door -

Deel dit artikel

Als er nare gebeurtenissen plaats vinden, zoals in Utrecht, heeft Mick Boskamp de gewoonte om terug te gaan naar het verleden. Niet omdat vroeger alles beter was, maar gewoon om even te ontsnappen. En toen herlas hij dit zelfgeschreven verhaal over zijn opa en over echte mannen. En kwam hij tot de conclusie dat hij nu op zijn 62e gelukkiger is dan ooit.

Op de foto: mijn grootvader Harry Boda, mijn broer Hans en ik (met page-kapsel).

Het is bijna het jaar 2000 in die nacht van juni de 21ste. Nog slechts een kleine zeven maanden te gaan. Na vier gruwelijke uren de vlammen van de brandende RoXY over mijn dak te hebben zien gaan, wordt het sein ‘brand meester' gegeven. Ik mag terug naar mijn appartement in de Amsterdamse Kalvertoren. De lift is buiten gebruik en ik ren de noodtrap op naar boven. Af en toe spring ik over een lekkende brandslang heen. Bovengekomen steek ik bevend de sleutel in mijn voordeur. Ik kan het niet geloven. Ik sta in mijn huis en ik ruik dezelfde, op dit moment gek van vreugde makende, geur die ik altijd ruik. Geen brand- noch rookschade. Maar het belangrijkste is dat de tientallen oude fotoboeken, de 78-toeren platen uit de jaren 20 en 30 en de koffergrammofoon er nog zijn. Van alles dat ik heb, dacht ik – toen ik daar uren buiten stond – nog het meest aan die hartverscheurend onvervangbare herinneringen.

Het zuurverdiende geld opzuipen

Lang, extra lang geleden, 110 jaar om precies te zijn, werd in een Haags arbeidersgezin Hendrik Pieter Bodaan geboren. Waarom ik in staat om deze zinnen te schrijven is dankzij hem, want hij was mijn grootvader. Zonder hem was ik er niet geweest. Harry Boda, zoals zijn artiestennaam luidde, werd geboren in een tijd dat carrière maken voor een man nog niet bestond. Of er stroomde blauw bloed door je aderen, waardoor je deed alsof je heel druk bezig was, of je werkte je als arbeider 24 uur per dag in het zweet om vervolgens een groot deel van het zuurverdiende geld op te zuipen, zodat het leven troebel werd en dus dragelijker. Bij geboorte was dat simpelweg bepaald. 
De vader van mijn grootvader was stukadoor. En dat betekende dat Henkie Bodaan stukadoor zou worden. Tijdens het werken kon hij het niet laten om te zingen en zo werd hij ontdekt als zanger en later ontdekt voor het toneel. Hij speelde in alle operettes en grote films van die tijd, hij zong als eerste zanger Oh, Mooie Westertoren, hij speelde met Wiesje Boumeester, met Johan Kaart, Jan Blaaser, Johan Boskamp (mijn andere grootvader), met Snip en Snap, met Johnny Kraaijkamp. Hij zong met zowel Louis als Heintje Davids, met Lou Bandy, met Jenny Arean. In de jaren zestig en zeventig speelde hij in komedies en musicals als Anatevka en Sound Of Music. Hij had meer dan zestig jaar op de planken gestaan toen hij in 1973, een jaar voordat we in het Olympiastadion in München de derde wereldoorlog verloren van de Duitsers, op 84-jarige leeftijd overleed. Mijn grootvader was één van de laatste mannen die ik heb gekend.

De inbreker zijn hersens inslaan

Meer dan 2000 jaar geleden, een periode die wordt aangeduid met BC (Before Contraception), waren vrouwen voor een groot deel van hun leven zwanger. Daardoor kwamen ze de grot nauwelijks uit. Mannen gingen er dus maar op uit om aan voedsel te komen. Ze jaagden op wilde dieren en ze zochten moeilijkheden op. Ze moesten fysiek sterk zijn om hun prooi te kunnen overmeesteren en om rivalen van hun vrouwen af te kunnen trekken. Aangezien onze verre grootvaderen daardoor een slecht gevoel voor etiquette ontwikkelden, is het aannemelijk dat ze voor zichzelf de grootste mammoetsteak uitzochten, terwijl de vrouwen genoegen moesten nemen met een stuk vel. En zo werden mannen fysiek sterk en vrouwen zwak. Van mannen wordt geacht dat ze vechten in oorlogen, dat ze ruwe sporten spelen en dat ze de inbreker zijn hersens inslaan met een pook. In elke man zat voor lange tijd die oerman. Een man die in de kroeg graag indruk maakt door zichzelf op zijn borst te slaan om te laten zien dat hij domineert. Tegenwoordig doet hij dat misschien ook wel, maar vervolgens belt hij met een verzonnen excuus naar zijn vrouw om te zeggen dat hij later thuis komt.

Hij was een flierefluiter

Mijn grootvader was een vechtersbaas. Kwam je aan zijn territorium dan kwam je aan hem. Mijn grootmoeder heeft hem, toen hij al zeventig was, van een man moeten trekken die een vervelende opmerking tegen haar had gemaakt. Tot hij haar ontmoette in de jaren twintig was hij een flierefluiter, een bon vivant die niet wist wat hem overkwam omdat de overgang van stukadoor naar ster even een maatje te groot was, die vocht als een arbeider en zich het leven liet smaken als een man die in de schijnwerpers stond. De eerste grote oorlog maakte hij mee als acteur/zanger, niet als vechter. Vlak voor de tweede grote oorlog werd hij vader van een dochter, mijn moeder. Het was de periode van massaproductie. Van een auto voor de deur en een kip in de pan. En van de stabilisering van het gezinsleven, waarin de opvoeding van een kind belangrijk werd. Na de gruwelijke oorlogen werd dat gezin alleen maar belangrijker. Datgene wat je had als man, had je niet meer kunnen hebben. En koesterde je. Harry Boda's andere karaktereigenschap, zachtmoedigheid, kwam duidelijker naar voren. Maar hij bleef een man.

Meer mannelijke dan vrouwelijke travestieten

In maart 1955 veranderde ik in de buik van mijn moeder, de dochter van Harry Boda, van een meisje in een jongetje. Op dat moment, in de zevende week van de zwangerschap, zette het door mijn lichaam aangemaakte Y-chromosoom een proces in werking waardoor ik een penis en testikels kreeg. Er wordt vaak gezegd dat die Y-chromosomen ervoor verantwoordelijk zijn dat mannen daardoor dynamischer zijn en zich superieur voelen tegenover vrouwen. Maar aan de andere kant kan het ook een verklaring zijn voor het feit dat er veel meer mannelijke dan vrouwelijke travestieten zijn. Mannen hebben meer vrouw in zich dan vrouwen man in zich hebben. In het huis waar ik na mijn geboorte kwam te wonen, stond al een televisie. Maar we waren wel van dezelfde generatie. De televisie begon een belangrijke plek in te nemen in gezinnen. Je kon je kinderen er urenlang voor laten zitten zonder dat je naar ze om hoefde te kijken. Vrouwen begonnen tijd over te houden. Die tijd werd vooral benut om na te denken. Ze dachten na terwijl mannen deden en niet dachten, waardoor ze niet zagen dat vrouwen meer macht kregen door hun hersens te gebruiken. Mijn grootvader was een uitzondering. Die deed en dacht. 

Als slaaf voelt een man zich veilig

In 1971, twee jaar voordat Harry Boda zou overlijden, kwam een boek uit, getiteld ‘De Gedresseerde Man' en geschreven door een vrouw, genaamd Esther Villar. Daarin werd de conclusie getrokken dat mannen altijd op zoek zijn naar iets of iemand die een slaaf van hen kan maken. Want alleen als slaaf voelt een man zich veilig. Hoe kun je anders verklaren dat een klassieke pianist jarenlang dezelfde partituren van Chopin speelt? Of dat een dokter zijn leven lang in mensen snijdt? Mannen willen nooit falen. Ze zijn geweldige minnaars, ze zijn grappiger dan wie dan ook, ze zijn fantastische drinkers, ze zijn de beste sporters, ze zijn de beste managers, ze schrijven de mooiste verhalen en allemaal doen ze dat omdat ze slaaf zijn van hun faalangst. Vooral faalangst t.o.v. vrouwen. De ironie wil dat vrouwen dat weten. En kennis is macht. In de jaren zeventig begonnen vrouwen, harder dan ooit, om gelijke rechten te roepen. En mannen, bang voor hun slavendrijvers, begonnen te luisteren. 

Mijn oerinstict als vechter 

De jaren negentig zijn bijna voorbij. Een tijdperk waarin de man niet meer bestaat. Ik ben geen man. Ik ben een halffabrikaat. Als slaaf van de vrouw moet ik van alles zijn: carrière-gericht, sociaal, ik moet een visie op het leven hebben, ik moet me emotioneel kunnen uiten, fysiek aantrekkelijk en goed in bed zijn en vooral een vrouw kunnen begrijpen. En hoewel ik vind dat ik het als slaaf goed doe en dat ik me al die elementen aardig eigen heb gemaakt, ben ik nog niet tevreden, heb ik het gevoel dat ik meer kan, meer moet doen, meer moet zijn. Ik behoor tot het grote gilde van emotionele watjes. Het enige moment als ik me heel even man voel, is als ik kwaad word. Als ik kwaad ben, komt mijn oerinstinct als vechter naar boven. Dat zijn de momenten dat ik me heel even de Neanderthaler voel die zijn grot verdedigt, dat ik me voel als mijn grootvader die op 70-jarige leeftijd zijn vrouw beschermt en niet luistert, maar doet. Want wat drijft een man echt? Het instinct om te kunnen overleven. Mannen hoeven allang niet meer te overleven. Mannen worden geleefd.

Hieronder zingen mijn beide grootvaders (links Harry Boda en rechts Johan Boskamp) samen met Dorus (Tom Manders) het lied 3 Ouwe Toffe Jongens:

Deel dit artikel