Lieve Sven Kramer,

Liefde

Lieve Sven Kramer,

Door -

Deel dit artikel

Vorige week vrijdag zat jij in Pyeongchang toen Mart Smeets in DWDD een lans voor je brak. Heb je het toevallig gezien? Mart waste 'het Nederlandse publiek', en eigenlijk ook wel de media, heel voorzichtig de oren. Kort samengevat, Nederland gaat niet goed om met zijn sporthelden.

 

Ook ik dacht er verstand van te hebben

We zien door jouw onafgebroken en daardoor vanzelfsprekend lijkende grootsheid niet meer hoe bijzonder jij als schaatser eigenlijk bent. Of zoals je het onlangs zelf omschreef: 'Het is groter nieuws dat ik tweede word dan wanneer ik win.' En boven een interviewtje met jou stond zelfs deze kop: Het is niet altijd leuk om Sven Kramer te zijn.

En ik dacht, 'Wat merkwaardig. Je bent 's werelds succesvolste schaatser. Als er iemand blij zou moeten zijn met Sven Kramer, dan moet jij het toch zijn.'

Het probleem is misschien wel dat iedereen in Nederland kan schaatsen. Dat maakt dat we ook met zijn allen vinden dat we er verstand hebben. Ik vond dat ook, moet ik toegeven. En ik dacht ook nog eens dat ik 'aardig' kon schaatsen. Dat wil zeggen, links- en rechtsom pootje over, desgewenst met de handen op de rug. Voor- én achteruit. In soepele stijl, natuurlijk. Dat had ik als jongen geleerd om indruk te maken op de ijsmeisjes. Het was ook op het ijs dat ik voor het eerst echt gezoend heb. Of beter gezegd, gezoend werd. Zij was dapperder dan ik. En het voelde toen als de hoofdprijs, dat kan ik je wel vertellen. Een gouden pakkerd was het.

'Juist,' zei Elfstedentochtwinnaar Jeen van den Berg toen, 'dat zal je leren om uitsluitend op kracht te schaatsen. Goed schaatsen is een kwestie van gevoel.'

Niet gehinderd door enige bescheidenheid heb ik ooit meegedaan aan een schaatsclinic in Thialf. Het was werk, want we hadden in Playboy de Meisjes van de Elfsteden en dat werd gepromoot met een mediafestijntje in Thialf. Ik heb een half uurtje les gekregen van Jeen van den Berg, de Elfstedentochtwinnaar in 1954, een jaar voor ik werd geboren. En het was ontluisterend. Ik kon er eigenlijk geen hout van. Jeen van den Berg was toen minstens twee keer zo oud als ik, en hij schaatste zeker drie keer zo hard. Hij liet me voelen wat het is om 'diep te zitten' - iets wat jij dus 25 rondjes kan. Na 400 meter, oftewel slechts één lullig rondje, waren mijn benen tot in het bot verzuurd. 'Juist,' zei Jeen toen, 'dat zal je leren om uitsluitend op kracht te schaatsen. Goed schaatsen is een kwestie van gevoel.' En toen heeft hij me, heel lief, geleerd hoe je echt op schaatsen moet staan en wat de essentie van de schaatsslag is.

Ik zal je zeggen, die ervaring heeft mij nederig gemaakt in mijn kijk op schaatsers. Misschien een goed idee om iedere inwoner van Nederland - inclusief de sportjournalisten - minimaal één keer aan den lijve te laten ondervinden wat écht schaatsen eigenlijk inhoudt.

De Noor Olav Koss was een soort Sven Kramer avant la lettre tijdens de Olympische Winterspelen in 1994

Nu ik er zo over nadenk, schaatsers hebben een behoorlijk prominente rol in mijn Playboyjaren vervuld. Medio november 1993 heb ik Rintje Ritsma geïnterviewd in Inzell. Drie dagen op rij hebben we 2 uur met elkaar gesproken. De beer van Lemmer - heb jij eigenlijk een goede bijnaam, Sven? Sven the man, zeiden ze op google, maar dat telt natuurlijk niet - durfde toen ook zijn gevoelige kant te laten zien. Hij vertelde met tranen in zijn ogen hoe hij het ooit had uitgemaakt met een meisje. Dat hij dat durfde, maakte me een fan voor het leven. En ik heb dan ook als een voetbalsupporter gefoeterd op de Noor Olav Koss. Een soort Sven Kramer avant la lettre die tijdens de Olympische Winterspelen in 1994 drie wereldrecords reed, dus drie gouden medailles won en niets - nou ja, zilver en brons - voor Rintje overliet.

En aan die Rintje heb jij veel te danken, Sven. Want hij was de man die de toorn van de KNSB weerstond en aan de wieg stond van de eerste professionele schaatsploeg van Nederland. Daar pluk jij nu nog steeds de vruchten van. Dat doe je goed en het is je van harte gegund.

Tussen de gesprekken met Rintje door mocht ik op de klapschaatsen van coach Wopke de Vegt het wonderijs van Inzell beproeven. Zwetend als een otter heb ik de lessen van Jeen van den Berg in praktijk proberen te brengen. Want gekleed in jeans en ski-jack. Waarbij er een klein wondertje gebeurde... voor het eerst in mijn schaatsleven lukt het me om een bocht - al pootje overend - in één keer te nemen. Met de handen op de rug. Om en langs mij heen flitsten jonge mannen en jonge vrouwen in nerveus gesneden, felgekleurde schaatspakken. Dat lijkt sneu. Maar ik zal je zeggen, na die bocht voelde ik me geweldig. Nog beter dan na de eerste echte zoen op het ijs. 'Je hebt een mooie slag,' zei een echte schaatser toen ik van de baan stapte.

Ik was, in stilte, voor Henk Angenent. Omdat hij het aandurfde strijdend ten onder te gaan, zonder aanziens des persoons. Zo hoort het, besloot ik ter plekke.

Drie schaatsloze jaren later schreef ik medio oktober 1996 onder de titel IJsgeesten een lang verhaal dat in Playboy werd gepubliceerd. Voor dat verhaal heb ik aan de hand van oud-topschaatser Harm van der Pal, rondgekeken in de wereld van de marathonschaatsers. Een discipline die ik alleen van de onnavolgbare samenvattingen in Studio Sport kende. Ik wil graag twee passages uit het verhaal met je delen.

“Wat doet-ie nou? Dat kàn toch niet!” Ik vraag aan de man naast me wat of er aan de hand is. “Moet je toch eens kijken! Die Angenent rijdt naar de kopgroep toe, waarin al twee ploegmaten van ‘m zitten. En hij neemt Lammert Huitema mee. Een van de rapste en slimste sprinters van het peloton!”

Een paar ronden later sprint de kopgroep om de dagzege. Twee mannen liggen iets vooruit: Henk Angenent en Lammert Huitema. Ik ben, in stilte, voor Angenent. Omdat hij het aandurfde strijdend ten onder te gaan, zonder aanziens des persoons. Zo hoort het, besluit ik ter plekke. En zie, Angenent weet met minimaal verschil te winnen door met een snelle beweging zijn linkerschaats naar voren te slepen. De man naast me is plotseling verdwenen. “Een typische Yep Kramer-finish, zo met dat voetje naar voren schoppen,” zegt Van der Pal. “Die heeft zo al heel wat sprintjes gewonnen."

Een paar maanden later, op 4 januari 1997, won Henk Angenent de Elfstedentocht  na een ijzingwekkende sprint met Erik Hulzebosch. Waarbij ik, je gelooft het misschien niet, letterlijk van mijn stoel tuimelde omdat ik, op het moment suprême, van de zenuwen iets te hard mijn linkervoet naar voren schopte.

Wel of geen goud op de Olympische 10 km

En dit is wat Dries van Wijhe, één van de kleurrijkste marathonschaatsers aller tijden, antwoordde op mijn vraag wat schaatsen zo bijzonder maakt. Ik wil dit met je delen, Sven, omdat hij in mijn ogen de kern raaktte van waar het in het schaatsleven om gaat.

“Schaatsen is een sport. Iedereen kan het leren. Als je maar lang genoeg oefent. Goed schaatsen is een gevoel. Dat is niet iedereen gegeven, want je kunt het niet leren. Je hebt het of je hebt het niet. Het is ook niet te beschrijven. Weet je hoe het voelt om ‘s ochtends vroeg, in het licht van de opkomende winterzon, helemaal alleen, tussen het riet over het zwarte ijs van het Veluwemeer te scheren? Dat is pas schaatsen. Elke klap is raak. Het geluid van je ijzers op het harde ijs klinkt als muziek. Ik voel me dan net een pianist...”

Lieve Sven, of je nou won of nog groter nieuws was omdat je verloor, ik heb oprecht genoten van de klanken van je ijzers op het ijs, van het heerlijke geluid van je jongensachtige lach en je ontwapende blik op de momenten dat je het aandurfde om je beschermende PR-harnas af te leggen. En ik hoop van harte dat je, wanneer JIJ een 50méér man bent, met gepaste trots op je carrière kunt terugkijken. Met de tevreden glimlach van een man die inmiddels weet dat de vluchtige roem van een gouden medaille meer of minder er eigenlijk niet toe doet.

Deel dit artikel