Bom in de oorlog

Liefde

Bom in de oorlog

Door -

Deel dit artikel

Gisteren op bevrijdingsdag lag het er voor Coen Bom te dik bovenop om deze ontroerende familiegeschiedenis uit WO2 te delen. Maar op the day after neemt hij je mee terug naar the years before.

“PA??? KLOPT HET DAT JAN’S BESTE VRIEND DOOR DE MOFFEN WAS DOODGESCHOTEN???” galmde het door het tehuis. Oom Wim wist nog veel details. Gelukkig wel.

Dit zijn rare dagen. Vanwege de Corona natuurlijk. Maar ook vanwege die onvermijdelijke oorlogsdagen. Ik ben een ‘tweede generatie-kind’, dat wil zeggen: ik heb de oorlog BIJNA meegemaakt. Ik ben weliswaar geboren in 1968, maar mijn ouders waren 40 en 48 toen zij mij (zeer onverwacht) toch nog kregen. Daardoor weet ik heel veel ‘eerstehands-informatie’ uit de oorlog. Voor mij zijn 4 en 5 mei al heel beladen, maar voor mij ook komt daar 3 mei bij, de sterfdag van mijn moeder in 2016.

Vlak voor haar dood had ik een zeer bijzondere middag met mijn Oom Wim, de enig overgebleven broer van mijn vader, toen 101 jaar oud.

Hij kwam samen met zijn zoon Victor naar mijn moeder. Hij voelde dat hij NU moest gaan. Mijn moeder was nog enigszins goed, al begreep ze helaas niets meer van de gesprekken. Gelukkig herkende ze Oom Wim nog wel.

In dat gesprek vertelde Wim over zijn broer Jan, mijn vader, over hoe Jan en mijn moeder elkaar hadden ontmoet (hij kon de plaats aanwijzen) en over de rol van mijn vader in het Verzet. Pardon? 'Ja, Jan zat in ‘t verzet,' zei de oude baas. En - dat zeg ik er even bij - hij had ze allemaal nog wel volledig op een rijtje.

Komische taferelen

Hij vertelde een paar details en ik vond het vreselijk, maar ik kon ze niet checken bij mijn moeder. Ze zou niet weten waar ik het over had, terwijl ze er (vaak) zelf bij geweest was

De middag liet me niet los. Na de dood van mijn moeder ben ik - gewapend met videocamera - naar mijn Oom Wim gegaan, die resideerde in verzorgingshuis De Ark in Wateringen. Neef Victor was er ook en dat was fijn, want Oom Wim was behoorlijk doof, hetgeen soms komische taferelen opleverde. “PA??? KLOPT HET DAT JAN’S BESTE VRIEND DOOR DE MOFFEN WAS DOODGESCHOTEN???” galmde het door het tehuis. Oom Wim wist nog veel details. Gelukkig wel.

Sommige dingen zijn niet erg. Hooguit jammer. Maar dat ik -door een computercrash- de beelden van die middag met Oom Wim voor eeuwig kwijt ben, dat is wél erg. Hij overleed in mijn rampjaar 2016, waarin ik 8(!) familieleden, zowel van mijn als van mijn toenmalige vrouw, moest begraven. Niet zelf gelukkig.

Hoe blij was ik dat ik het transcript van deze middag terugvond in een back-up. Misschien is het veel te incrowd, misschien veel te privé, maar ik wil het graag delen op deze pagina. Omdat de indrukwekkende speech van de Koning maar weer eens doet beseffen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is en dat ik alleen maar kan hopen dat we nooit meer in de situatie komen dat we onze eigen dapperheid moeten testen. Over de mijne maak ik me soms zorgen.

Vooropgesteld: ik weet niet wat er klopt van de beweringen, ik weet dat 80% van de Nederlanders ‘opeens’ in het verzet zou hebben gezeten tijdens de oorlog. Maar ik ken de Wateringse familie van mijn vader en die zijn eerlijk tot op het bot. Wat ik óók weet, is dat mijn vader zelden iets losliet over de oorlog. Nooit. Hooguit over het helpen van mensen na het bombardement van het Bezuidenhout in Den Haag in 1945, omdat hij in het bezit was van paard en wagen.

Uitstervend ras

Los van de verhalen over de oorlog. Mijn vader was van een uitstervend ras. Hielp mensen tot vlak voor zijn dood. Hij was bijna 80 maar sprak over de bovenbuurman als ‘die ouwe baas”, die hij iedere dinsdag en donderdag -week in, week uit- naar Leiden reed om diens vrouw te bezoeken in het ziekenhuis. Dat is van een soort onbaatzuchtigheid waar ik jaloers op ben. En een beetje ontroerd door raak, merk ik. Mijn vader is op 16 juli exact 20 jaar dood. 10 dagen voor zijn tachtigste verjaardag trouwens.

Hieronder een stuk uit het verslag, wat mijn lieve neef Victor schreef voor de Wateringse familie naar aanleiding van ons gesprek met mijn Oom Wim (zijn vader) in De Ark in Wateringen.

In het stuk heet mijn moeder ’To’, maar dat vond ze zelf vreselijk. Er was namelijk een To van Jan, To van Wim, To van Henk, To van Rijn, vrijwel iedereen heette To in Wateringen. Zelf noemde mijn moeder zich liever Kitty. Van Catherina.

Het doet niet af aan dit verslag uit de zomer van 2016. Maar ik wil het toch even gezegd hebben. Namens mijn moeder.

Jan Bom in het verzet

Bij het vorige gesprek in het Quintus verzorgingstehuis met moeder To had Pa tegen Coen gezegd dat Jan Bom in het Verzet had gezeten en dat Jan’s beste vriend, ook Jan geheten, voor zijn ogen was doodgeschoten door de Duitsers. Verder had Coen van zijn moeder gehoord dat Jan wel eens met kogelgaten in zijn jas was thuisgekomen. Daarnaar gevraagd had Jan het afgedaan met de opmerking dat het weinig voorstelde. Verder had Jan thuis nooit over de oorlog gesproken. Hij had het zijn hele leven wel altijd over ‘de moffen’ als het over Duitsers ging.

Pa stelde dat Jan echt in het Verzet gezeten heeft en dat gedurende een aantal jaren, dus niet pas op het eind van de oorlog. Ook Jan Kraan, zijn vriend, was een echte verzetsman, wonende in de Herenstraat in Wateringen. Hij was een wegwerker, net als zijn vader, die bij de Provinciale Wegenbouw werkte. Jan sprak er thuis nooit over, hetgeen Pa wel logisch vond om redenen van veiligheid. Pa zei ook met grote stelligheid dat als ze Jan te pakken hadden gekregen, hij ook zeker zou zijn doodgeschoten. Hoe Pa dat zo zeker wist, kon hij niet goed vertellen, al wist hij wel dat Jan een keer ’s avonds/’s nachts, toen de moffen hem vlak op de hielen zaten, een schuilplaats had gevonden/gekregen bij Klaas Hofstede, een tuinder op de hoek Noordweg/Kwaklaan (in dat huis zou later Piet van Leeuwen gaan wonen). Op de vraag van Coen of ook andere (van de 7) broers in het verzet zaten, volgde een duidelijk “Nee. Jan was de enige”

Verder herhaalde Pa opgetogen en met twinkelende ogen het verhaal hoe Jan altijd weer in staat was om met paard en wagen olie uit het Duitse Spergebied te halen, om bij de molen van de familie Bom af te leveren. De olie was nodig om de molen te laten draaien, want al voor de oorlog was de molen in een zodanig slechte staat geraakt, dat er niet meer mee gedraaid kon worden en in de crisistijd was vader Cees, die de molen in 1930 had gekocht, overgegaan op een olie-gedreven gemaal. “Onderuitgezakt, zich niet al te slim voordoend, met een shaggie (zware Van Nelle!) in zijn mond, die een beetje naar rechts scheef hing”, zo beschreef en acteerde Pa hoe Jan mogelijk altijd weer door de Duitse controles heen kwam. “Jan kon zich enorm onnozel voordoen, alsof hij niet helemaal goed was” zei hij lachend. Vooral de Duitse controle op de Heulbrug, een belangrijk knooppunt van het Westland, was berucht: dat geschiedde door de Waffen SS, het elitekorps van de moffen. Het was werkelijk prachtig om Pa die demonstratie te zien geven en Coen heeft daar een mooie opname van gemaakt. (die dus verloren is gegaan, red)

Pa stelde dat het haast wel zeker was dat die olie van de moffen kwam/was en dus (terug)gestolen werd, maar verdere informatie kon Pa niet geven. Jan had het er nooit over gehad, dus waar hij het vandaan haalde, niemand die het wist.

Waar Jan Bom zijn vrouw To ontmoette

Dat Jan Bom To op de Bloemenvaart/baan ontmoette, zoals eerder door mij geschetst, bleek een duidelijke vergissing. Het ging niet om bloemen, maar om groenten! Dit was ook logischer, want er was groot gebrek aan voedsel op het eind van de oorlog.

To struinde tegen het eind van de oorlog het hele Westland af op zoek naar groente en ander eten en kwam zo bij Klaas Verbaan terecht, die een vrij grote tuin op het Oosteinde had, die liep in de richting van de Bovendijk. Klaas Verbaan had (net als vader Kees Bom) ook in de gemeenteraad gezeten, maar voor een/de christelijke partij.

To kwam uit een groot gezin (op dat moment bestaande uit 10 kinderen) en het gezin was Rotterdam ontvlucht na het bombardement en naar Den Haag gegaan, maar dat was geen vetpot, zeker niet voor een schipper (mijn opa, die ik nooit gekend heb, red). Coen wist nog van zijn moeder dat Jan soms eten voor het gezin meenam, dus de informatie paste allemaal heel goed. Coen had ook gehoord dat zijn moeder, die op het eind van de oorlog 17 jaar was, voor haar veiligheid niet alleen mocht reizen: er moest altijd een broer mee. Dat werd stellig ontkend door Pa: “Nee hoor, To reisde alleen.”

Meer tastbaars heb ik helaas niet. Maar de herinnering aan die middag is onvergetelijk, al zeg ik sinds mijn moeders aandoening nooit meer: “ik zal het nooit vergeten.”

Ik had het er graag eens met mijn vader over gehad, maar hij was geen prater. De appel valt soms best ver van de boom, ja. En dat vind ik op sommige vlakken heel jammer.

Gallery

  • Pa Bom, ma Bom en Coentje Bom

Deel dit artikel