Sprookje voor danslustigen

Entertainment

Sprookje voor danslustigen

Door -

Deel dit artikel

Omdat het gros van de Nederlanders wat meer vrije tijd heeft gekregen. Omdat velen van hen opeens weten wat verveling is. En omdat het gewoon kan. Hier een sprookje voor volwassenen, die van uitgaan en feesten houden.

Voor Anna en Carmen

Een tijdje geleden had ik op Instagram een foto van mijn drie boeken met korte (uitgaans-)verhalen geplaatst. Van een volger kreeg ik toen het volgende bericht: 'Ik ben bij een verhuizing jouw boek Nachtboek kwijt geraak. Weet je misschien of het nog ergens verkrijgbaar is? Ik probeerde laatst De Toren Van Kierewiet als slaap verhaaltje voor mijn dochter uit mijn geheugen te graven, maar helaas...'

Verbaasd stuurde ik hem terug: 'Dat is toch geen verhaal om voor te lezen aan een klein meisje? Ik geloof niet dat je het boek nog kunt krijgen. Het is door een slechte distributie nauwelijks geleverd aan de boekhandels, waarna – ook heel slim – de voorraad is vernietigd. Maar wat ik kan doen, is het sprookje binnenkort plaatsen op onze site. Dan draag ik het op aan aan jouw kleine meid. Hoe heet ze?'

De vader reageerde met: 'Dat zou fantastisch zijn! Ze heet Anna (en ik denk dat haar oudere zus Carmen het ook een leuk verhaal zal vinden!). Alvast reuze bedankt!'

Het moment is daar dat ik het sprookje deel. Het zijn verwarrende tijden. En daar horen verwarrende verhalen bij. Let wel: de Toren van Kierewiet schreef ik in 1997 in de hoogtijdagen van mijn 'recreatieve drugsgebruik'. Ik zeg het er maar even bij.

Hier begint het sprookje:

Van de week zat ik om half negen ’s ochtends op mijn lederen vierzitsbank en ik had weer voor de zoveelste keer spijt dat ik mensen had uitgenodigd voor de thee. Op het moment dat je ze op een feestje vraagt of ze mee naar huis gaan, is het nog allemaal heel erg spannend. Maar op een goed moment is het gewoon voorbij, over, uit. Dan begint het leven van alledag weer langzaam tot je door te dringen en nog belangrijker: wil je maar één ding. In de armen liggen van de vrouw die weet waar de thee staat, om de doodeenvoudige reden dat ze van de week naar de Albert Heijn is geweest.

Ik keek naar de vrouw die door de kamer danste. Ze keek naar mij. En op dat moment wist ik dat zij dezelfde gedachtes had als ik. Wij zijn er de mensen niet naar om het zooitje ongeregeld aan hun lot over te laten en ons terug te trekken in de slaapkamer. Dat hoort niet, vinden we. En bovendien zouden we dan allebei een geluidsdemper over de mond moeten plaatsen omdat zowel zij als ik het liefdesspel nogal serieus nemen.

Wat moest ik doen? Ik wist uit ervaring dat het geen enkele zin had om te zeggen dat het sluitingstijd was en dat er geen toegift werd gedraaid. Mijn gasten zouden me verbaasd hebben aangekeken, waarna ze zouden overgaan tot de orde van de ochtend, bestaande uit jointjes draaien, as en thee morsen en slap uit hun nek lullen.

En toen, terwijl de Munttoren negen keer sloeg, bedacht ik een geniaal plan. Ik moest er wel wat voor doen, eerst. Ik moest ze een sprookje gaan vertellen. Met bovenmenselijke krachtsinspanning ging ik rechtop zitten en begon mijn verhaal.

De toren van kierewiet

Nog niet zo lang geleden woonde in het plaatsje Kierewiet, in het meest Noordelijke puntje van Wappieland, een toiletman met zijn twee mooie dochters. Iedereen kende hem als toiletman, maar zelf was hij allesbehalve blij met die benaming.

“Ik ben uitbater van een rijdend toilet!,” zei hij altijd woedend als hij ‘s avonds op straat liep en werd nageroepen met:

“Hé, toiletman, ben je nog steeds zo’n schijterd?”

Eigenlijk was het best wel gemeen om hem schijterd te noemen, want een

schijterd was hij allesbehalve. In het hele plaatsje Kierewiet, misschien wel in heel Wappieland, was er geen persoon te vinden die zo dapper was als de toiletman. Grote kerels die niet de bril omhoog deden als ze stonden te plassen, trok hij eigenhandig van het toilet af. En als ze hem afscheepten met een kwartje, dan konden ze een mes trekken maar zijn gulden kréég hij. Hij nam zijn werk uiterst serieus. Elke ochtend om negen uur, als het dorpje eindelijk in ruste was, schrobde en poetste hij de brillen en potten totdat je je haar erin kon kammen. Tenminste, als je door je knieën wilde gaan.

Het rijdend toilet kon overigens niet meer rijden. De wieltjes waren compleet versleten. Maar dat maakte ook niet uit. De toiletman had in een vroeg stadium zich er al bij neergelegd dat hij Kierewiet nooit meer zou verlaten. Zijn vrouw daarentegen had het al snel gezien. Op een ochtend vond de toiletman een briefje, waarin ze schreef dat ze genoeg had van het miezerige leven dat ze met z’n viertjes leidde en dat ze met de Noorderzon was vertrokken.

Als genoegdoening had ze 1200 losse guldens in rolletjes van 25 bijgevoegd voor elke keer dat ze bij hem naar het toilet was geweest. Precies als hij was sloeg hij meteen aan het tellen, waarna bleek dat er vijf guldens ontbraken. Dat stak hem nog het meest. Dat ze na twintig jaar huwelijk nog steeds dacht met een idioot van doen te hebben.

De eerste jaren zonder haar waren zwaar voor de toiletman. Tenslotte moest hij nu in zijn eentje zijn twee dochters opvoeden. En in een dorpje als Kierewiet was dat geen gemakkelijke opgave. Het hele dorp bestond van de dansmuziek en dat genre trok nogal rare kostgangers.

Alle inwoners van het plaatsje keken elke keer weer raar op als dat losgeslagen zooitje schuimbekkend door de straten trok, maar ja, die bezoekers zorgden voor geld in het laatje, dus kon je eigenlijk ook niet gaan klagen. Tenslotte spuugde je niet op het bord waar je van at.

Zonder die vermaledijde dansmuziek had Kierewiet niet eens bestaan. Misschien zouden er hooguit vijf huisjes zijn geweest en een boerderij waar knollen worden geteeld, want zeg nou eens eerlijk: wie wil er in hemelsnaam in het meest Noordelijke puntje van Wappieland wonen? Maar een speciale gebeurtenis, zo’n tien jaar geleden, zorgde ervoor dat Kierewiet op de kaart werd gezet.

Op een nacht werden de vier families die woonden op de plek die later uitgroeide tot het dorp dat we thans als Kierewiet kennen, opgeschrikt door een oorverdovend gedreun. Nieuwsgierig en ook wel knap chagrijnig geworden staken de families de koppen bij elkaar om polshoogte te gaan nemen.

Aangekomen op de plek waar het lawaai vandaan kwam, zagen ze tot hun grote verbazing een grote toren staan, met daaromheen giraffe-hoge luidsprekers. Boven in de toren konden ze heel vaag de contouren van een jongen zien die druk in de weer was met iets dat op grammofoonplaten leek.

“Hé, joh, hou eens op daarmee!” schreeuwde één van de bewoners naar boven, waarschijnlijk alleen om indruk te maken op de rest van de families, want het was duidelijk dat de persoon die daar boven platen aan het draaien was, door het harde geluid niets kon horen.

Er werd een zaag gezocht om de toren omver te zagen, maar toen stroomden van heinde en verre jonge mensen toe die, zodra ze de muziek hoorden, aan het dansen sloegen.

Eén van de familieleden, een zakenman in de dop, vroeg om een dorpsberaad. Dat werd snel belegd, want er woonden tenslotte maar vier families in het gehucht zonder naam. Daar vertelde hij dat als ze slim waren, ze nogal wat geld uit de zakken van die jongelui konden kloppen. Het viel even stil in de woonkamer waar de vergadering werd belegd. Binnen twee weken woonden er geen vier, maar twaalf families in het gehucht, waaronder een patatbakkersfamilie en een familie die ballonnen verkocht.

En zo ontstond binnen een mum van tijd een heel dorp, het plaatsje Kierewiet. Met een heuse burgemeester zonder portefeuille, die zijn bankrolletjes in de achterzakken van zijn iets te hippe spijkerbroek propte. En met een krant, de Kierewiet Beat geheten, die werd uitgegeven door twee ex-bajesklanten en vormgegeven door een hasjverslaafde. De geheimzinnige figuur die hoog in de toren plaatjes aan het draaien was, kwam nooit naar beneden. Niemand wist hoe hij er uit zag. Niemand wist waarom hij juist Kierewiet, dat toen nog geen Kierewiet heette, had uitgezocht om zijn toren van geluid te bouwen. Raadsels, raadsels, raadsels. Maar over één ding bestond geen twijfel en dat was dat hij een man van de klok was.

Stipt om half twaalf ’s nachts begon hij met zijn muziek om zeven uur later zijn laatste plaat te draaien en dat nacht in, nacht uit. Geen wonder dat je op een willekeurige dag om twaalf uur ’s middags in Kierewiet een speld kon horen vallen. Gekscherend werd er gezegd dat men dan een siësta aan het houden was. Een siësta die van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags duurde.

Echt gezellig was het er ook niet. Alle huizen hadden geblindeerde ramen om het zonlicht te weren. Kierewiet was eigenlijk best wel kierewiet. Alles was daar anders. En dat allemaal vanwege een geheimzinnige figuur die zomaar vanuit het niets, op een nacht in juni, hoog in een toren dansmuziek begon te draaien.

Zoals het vaak gaat met mysterieuze figuren kwamen er allemaal vreemde verhalen over de nieuwe weldoener in omloop. Zo zou de toren volledig zijn opgebouwd uit beenderen van ongelukkige danslustigen die hadden geprobeerd om naar boven te klauteren om een glimp op te vangen van hun held.

Die verhalen werden uiteraard in de wereld geholpen door de bewoners van Kierewiet zelf om het aanwezige dansvolk aan de grond te houden, wat op zich al moeilijk genoeg was. Want ook al wisten de inwoners van het plaatsje nauwelijks iets van dansmuziek af, ze hadden wel de boerenslimheid om te begrijpen dat je een imago in stand moest houden.

Zodra de jongen in de toren naar beneden werd gehaald, was de kans groot dat de zeepbel uiteen zou spatten. En dat zou ook meteen het einde van Kierewiet betekenen. Elke ochtend, nadat het dansvolk was afgetaaid, legden de patatbakker, de broodjesverkoper en de fruitboer de meest verse waren in een mandje aan de voet van de toren, dat vervolgens omhoog werd getakeld.

“Laat hem maar fijn daar boven blijven,” dacht half Kierewiet. “Want daar heb je geen kind aan hem.”

Nu we het toch over kinderen hebben: de toiletman, want daar hebben we het voornamelijk over, zat niet alleen op zijn guldens, hij was ook bijzonder zuinig op zijn dochters. Je kunt je voorstellen dat in een dorp dat ’s avonds in een feestvierend Pompeï veranderde, het een zware nachttaak was om zuinig op je dochters te zijn.

Ze heetten Ephedra en Emdee Emma en als je niet anders wist dan dat de toiletman hun vader was en de afvallige moeder hun moeder, dan zou je zweren dat ze geen zusjes waren. Ephedra was het mooiste en liefste meisje van Wappieland.

Als haar vader ’s ochtends doodmoe thuis kwam, bracht ze hem broodjes, jam, verse jus d’orange en een vaas met geurige fresia’s op bed.

“Wat moet ik zonder jou?” zei hij dan tegen haar, vechtend tegen de tranen.

“Meer geld aan mij geven,” hoorde hij op een dag uit de deuropening, waar Emdee Emma stond, gekleed in lakleer, het blonde haar in de war en met vegen rode lippenstift over haar hele gezicht.

Emdee Emma was misschien net zo mooi als Ephedra, maar van binnen was ze zo rot als een mispel. Ze sprak weliswaar ook met twee woorden, maar dat waren dan meestal de woorden ‘neuk’ en ‘mij’, dus dan weet je ongeveer wel hoe laat het was. Van alle inwoners van Kierewiet was ze de enige die niet werkte voor de kost en de enige die meedeed aan het feestgedruis.

Boze tongen beweerden dat Emdee Emma haar lichaam verkocht, dezelfde boze tongen overigens die haar regelmatig hadden geproefd. Het hele dorp was over haar heen geweest en de enige die dat niet wist, was de toiletman. Misschien wist hij het wel, maar wilde hij het niet weten.

In ieder geval moest hij argwaan hebben gekregen toen hij op een ochtend Emdee Emma na veel moeite had bewogen om zijn toiletten schoon te maken. Een uur lang bleef ze weg en toen hij ging kijken wat ze aan het doen was, trof hij haar zittend op de nog niet schoongemaakte bril, terwijl ze een achtergebleven feestganger met de mond aan het bevredigen was. Voor straf moest ze vijf guldens betalen, gezien de voorgeschiedenis een symbolisch bedrag voor de toiletman. Daarna werd er nooit meer over gesproken.

Emdee Emma hield haar veroveringen uitvoerig bij in een poëzie-album, inclusief liefdesvlekken. Een dubbele pagina achterin het boekje hield ze echter vrij. Aan iedereen die het wilde horen, en dat waren er velen want zo zijn mensen nu eenmaal, vertelde ze dat ze die pagina’s had gereserveerd voor de geheimzinnige DJ in de toren. Want Emdee Emma mocht dan misschien geen enkele missie hebben in het leven, een zekere ambitie was haar niet vreemd.

Ephedra had veel verdriet om haar oudere zuster, want diep in haar hart wist ze dat het op een nacht fout zou aflopen met Emdee Emma. Soms, als je in Kierewiet langs het huisje liep waar de toiletman en zijn dochters woonden, en je luisterde goed, dan kon je een meisje hartverscheurend horen snikken. En reken maar dat dat gesnik niet afkomstig was van de oudste dochter.

In de nacht dat het fout afliep met Emdee Emma begon de geheimzinnige figuur in de toren stipt om half twaalf zijn platen te draaien. Om ongeveer een uur of twee werd de dansende meute opgeschrikt door een luid gebrom.

Toen men omhoog keek om te zien waar het geluid vandaan kwam, zagen ze dat een klein vliegtuigje cirkels boven de toren aan het maken was. Eerst nam niemand daar aanstoot aan, want er vlogen wel meer vliegtuigjes boven Kierewiet, reclame-vliegtuigjes die werden bij geschenen door krachtige lichtstralen. Maar opeens rolde een trapje uit het vliegtuig en stopte de jongelui met dansen. Want daar op de eerste tree verscheen triomfantelijk Emdee Emma in een heel klein rokje. Zelfverzekerd daalde ze af tot vlak boven de plek waar de geheimzinnige figuur aan het mixen was. Het publiek begon in koor “Emdee Emma, Emdee Emma!” te roepen, alsof ze nog nooit iets anders gewend waren. Bijna was de oudste dochter van de toiletman daar waar ze wezen moest, toen een windvlaag haar uit koers bracht. Met de hak van haar linkerschoen raakte ze de arm van één van de platenspelers, net op het moment dat de geheimzinnige DJ een mix aan het maken was.

Eerst steeg er een gehuil op uit de meute beneden aan de grond. En toen brak de hel los. Het dansvolk, dat eerst zo positief reageerde op de actie van Emdee Emma begon nu om haar hoofd te schreeuwen. En niet om er iets lekkers mee te doen. Bibberend van angst probeerde ze nog het vliegtuig in te klauteren, maar het was duidelijk haar pechnacht, want ze stapte mis en viel naar beneden, waar ze niet bepaald hartelijk werd ontvangen door een woedende menigte.

Het enige wat er later van Emdee Emma werd teruggevonden, was haar poëzie- album. Alle blaadjes waren eruit gescheurd om redenen die duidelijk zullen zijn. De toiletman en zijn overgebleven dochter, de lieve Ephedra, waren vier weken lang ontroostbaar. Om aan te geven dat ze in de rouw waren, verving de toiletman de witte toiletbrillen door zwarte. Maar na die vier weken ging het leven gewoon weer verder voor ze in Kierewiet.

Als je diep in het regelmatig kloppende hartje van Ephedra keek, was ze eigenlijk ook best wel opgelucht dat het zo was afgelopen. Ze had altijd geweten dat Emdee Emma haar onheil tegemoet ging.

Nog meer dan ooit nam ze afstand van wat er zich in Kierewiet na twaalven afspeelde. Ze moest niks hebben van dat achterlijke schorriemorrie. Veel liever maakte ze thuis allemaal smakelijke hapjes voor haar vader en zorgde ze voor het huishouden. Op een nacht, nadat ze heerlijke, naar kaneel geurende wentelteefjes naar haar vader had gebracht, werd ze op weg naar huis toegesproken door een jongeman. “Mag ik even met je praten?” vroeg hij. Ephedra schudde haar hoofd en stapte dapper door. Weer zo’n gast die iets van haar moest.

“Alsjeblieft?” zei hij.

En dat deed Ephedra van haar à propos en haar tred brengen. Je moet namelijk weten dat het woord ‘alsjeblieft’ absoluut niet in het woordenboek van een nachtdier voorkomt, een woordenboek dat misschien hooguit uit vijf lidwoorden bestaat.

Ephedra draaide zich om en keek in de meest vriendelijke ogen die ze ooit had gezien. Ze werd er haast verlegen van, maar dat mocht hij absoluut niet zien.

“Ik wil zo graag met je praten, al is het maar voor heel even,” zei hij.

“Waar wil je over praten?” vroeg Ephedra, terwijl ze demonstratief op haar pols keek, waarna ze tot de ontdekking kwam dat ze geen horloge droeg. Ze moest er zelf om lachen. De jongeman lachte mee.

“Oké dan,” zei Ephedra. “Maar niet in de buurt van al die rare, dansende mensen.”

Even later zaten ze samen op de veranda van het huisje van de toiletman, met uitzicht op de toren waar de muziek werd gespeeld, die ze weliswaar duidelijk konden horen maar die praten nog wel mogelijk maakte. De tijd vloog voorbij. Ze spraken over van alles en nog wat. Nog nooit had Ephedra zich zo op haar gemak gevoeld bij iemand anders dan haar vader.

Het was al zes uur ’s ochtends, bijna tijd om te gaan slapen. En toen, net op het moment dat ze afscheid aan het nemen waren en hadden afgesproken om het nog een keer over te doen, gebeurde er iets met de muziek. Iets heel raars. De muziek bleef haperen, alsof er een CD opstond die een vlekje had. De jongeman sprong op, greep Ephedra bij de hand en samen renden ze naar de toren toe. Ephedra vond het in het begin wat vreemd en raar dat hij haar meetrok, maar ze liet het uiteindelijk gewillig toe, simpel omdat zij hem vertrouwde en ook omdat ze zelf nieuwsgierig was geworden.

Bij de toren aangekomen, stonden de nachtdieren als aan de grond genageld naar boven te staren. De jongeman wrong zich door de massa heen, terwijl hij Ephedra niet losliet. Wat voelde zijn hand prettig aan, zo warm en veilig. Maar waar gingen ze naartoe? Ze stonden nu onder aan de toren en de plaat bleef nog steeds haperen. Toen draaide hij zich naar haar toe en zei:

“Blijf hier staan. Vertrouw me.”

Hij liet Ephedra los, sprong tegen de toren op en begon naar boven te klauteren. Ze wilde hem nog tegen houden, maar er kwam geen geluid uit haar mond, zo verbaasd was ze. Hij klom en klom. De mensen beneden hielden hun adem in.

Toen hij boven was gekomen, kon niemand hem meer zien.

Nog geen minuut later steeg er een gejuich uit de massa op, want een andere

plaat had de beat overgenomen. Er kon weer gedanst worden. Ephedra stond als aan de grond genageld. Hij was misschien wel nog dapperder dan haar vader. Wat een snelle actie! Nu er om haar heen gedanst werd, wilde ze weggaan, maar ze had beloofd om te blijven staan.

Er werd op haar schouders getikt. Ze draaide zich om en daar stond de jongeman met een brede glimlach op zijn gezicht.

“Ze merken er echt niks van,” fluisterde hij in Ephedra’s oor.

“Waar niks van?” fluisterde ze terug, terwijl hij zijn armen om haar heensloeg. “Dat ik een paar uur geleden een aantal CD’s in de CD-wisselaar heb gedaan.” Ephedra maakte zich los uit zijn omarming. Het begon haar te duizelen. “Bedoel je?”stamelde ze. Verder kwam ze niet.

“Dat ik de DJ in de toren ben?” zei hij. “Ja, ik ben de DJ in de toren. Ik ben

hier tien jaar geleden gekomen in de hoop dat ik aandacht kreeg met mijn muziek, aandacht van een meisje als jij. Maar ik ben blij dat ik eindelijk naar beneden ben gekomen, anders was ik jou nooit tegengekomen.”

Ephedra viel tegen hem aan en samen wiegden ze op de muziek de ochtend tegemoet.

Kierewiet heet nog steeds Kierewiet. Je kunt een plaatsje moeilijk opeens een andere naam geven. De toren staat er nog steeds, maar er klinkt geen muziek meer. Er wordt nu gebungeejumpt vanaf het bovenste puntje.

Overdag is het er een drukte van jewelste. Kierewiet is één groot pretpark geworden. Niemand hoefde van beroep te wisselen. Alleen de plaatselijke krant bestaat niet meer. De ex-bajesklanten die de krant uitgaven, zijn er een tijdje geleden met het geld vandoor gegaan, maar niemand die de krant mist.

De toiletman is de gelukkigste toiletman ter wereld, want zijn dochter is getrouwd met de liefste schoonzoon die hij zich kon wensen. Ze wonen samen bij hem in huis. En als je ooit in Kierewiet komt, in het meest noordelijke puntje van Wappieland, dan moet je vooral eens om acht uur ’s avonds langs het raam van het huisje van de toiletman lopen en dan stiekem even naar binnen kijken. Dan kun je een jongeman aan de afwas zien staan en hele rare fratsen zien uithalen met twee borden.

Einde

“En dat is het einde van het verhaal,” zei ik tegen mijn gehoor.

“Dan ben ik toch benieuwd,” zei een van de gasten die van nervositeit vijf jointjes had weggepaft, “wat voor CD’s dat waren die de DJ in de toren had opgezet toen hij beneden met Ephedra aan het kletsen was.” Ja, ja, daar had ik hem!

“Wil je ze horen?” vroeg ik. Natuurlijk wilde hij dat.

Ik stond op, liep naar mijn kast vol CD’s en plukte daar mijn drie eigen producties uit. En heel gek, maar toen was het opeens tijd om op te stappen. Binnen vijf minuten lag ik in de armen van de vrouw. Vervelend alleen dat God onmiddellijk straft, want ik was zo moe geworden van het vertellen van de Toren van Kierewiet dat ik in no time op weg was naar Wappieland.

Deel dit artikel