Mijn eerste dagje aan het strand

Entertainment

Mijn eerste dagje aan het strand

Door -

Deel dit artikel

Omdat het vandaag 23 graden Celsius is en we met z'n allen terecht niet naar het strand gaan, is hier een doekje voor het bloeden. Een echt strandverhaal uit de vorige eeuw van Beach Boy Boskamp.

Foto: Mel Kremer (gemaakt toen ik nog rookte. Gadver!)

Ik verzamel grote schroeven en dikke spijkers en ik was mijn lievelingsmoer kwijt, een hele roestige. Ik liep huilend door de tent en jammerde dat ik mijn ouwe moer kwijt was.

Mijn eerste dagje aan het strand van Bloemendaal. Aan de toonbank van de Kust is het een drukte van weinig belang. Als het mijn beurt is, bestel ik een cola light. Ik krijg een blikje met een rietje. ‘Mag ik misschien een glas en wat ijsblokjes?’ vraag ik. De jongen achter de toonbank verzucht: ‘Dat is vijftig cent extra.’ ‘Doe ook maar een koffie,’ zeg ik. ‘In een kopje, met een lepel, twee suikerklontjes en een wolkje melk. Ik heb net mijn salaris gekregen.’ ‘We verkopen geen koffie aan de bar,’ zegt de jongen. ‘Als je op het terras gaat zitten, dan komt er een serveerster naar je toe en bij haar kun je koffie bestellen.’

Ik geef het op, want de zon schijnt. Met het glas cola in mijn hand ga ik in de deuropening van de tent staan. Het is drie uur ’s middags. Aan de bonte stoet mensen die via de loopplank voorbij dendert, komt maar geen einde. Waar gaan ze allemaal naartoe? Op het strand is het betrekkelijk rustig. Er moet daar ergens, voorbij Woodstock, een ravijn zijn waar ze allemaal in lazeren, want anders heb ik er geen verklaring voor. In de verte hoor ik een sirene. Een bekende uit het nachtleven komt me vertellen dat er gevochten is bij de Republiek. ‘Het is er verder wel gezellig,’zegt hij.‘Als er vier muren omheen zouden staan, zou je zweren dat je in een disco was.’ ‘Misschien is het beter om er een hele grote brandkast omheen te zetten,’ merkt een bekende van de bekende op. ‘En de cijfercombinatie plus sleutel te begraven in het zand.’

Verzengende explosie

Ik wens de heren nog een genoeglijke middag en loop via de loopplank naar beneden. Jongens, meisjes, ouderen van nachten, liggen kriskras door elkaar op bedjes en houden kleine telefoons aan hun oor. Al lopende vang ik kreten op als ‘Waar ben je?’ en ‘Waar was je?’ Ik moet opeens denken aan de droom van een paar nachten geleden. Ik droomde dat er bij Riche een atoombom werd opgegraven. Mensen begonnen in paniek naar de parkeerterreinen te rennen. Sommigen sprongen in zee. Een verliefd stel bleef staan. Ze omarmden elkaar in de hoop dat ze samensmolten in de verzengende explosie.

Ik begin sneller te lopen. Ik hoor niets meer, want ik sta opeens aan de vloedlijn. Hier besluit ik even te blijven staan. Ik snuif de geur van de zee in me op. Een geur die me meeneemt naar mijn prille jeugd.

Het is acht uur ’s ochtends. Ik word wakker in het onderste stapelbed van het kamertje achter de Zandvoortse strandtent van mijn moeder en stiefvader. In mijn pyjama loop ik via de kleine woonkamer de tent in. Aan een grote tafel zitten de stoelenman en mijn stiefvader. Ze eten spiegeleieren met kaas en ham. Mijn moeder staat in de keuken. Ik vraag of ik een ijsje mag. ‘Heb je je tanden al gepoetst?’ zegt ze. ‘En eet eerst een boterham. Daarna mag je een ijsje.’ Ik loop slaperig terug naar het huisje achter de tent waar ik me vluchtig was en vervolgens een zwembroek aantrek. Het is stralend weer. Ik ren via de loopplank het strand op, vlieg met gestrekte armen langs rieten korven en houten strandstoelen en doe of ik een vliegtuig ben. Vandaag is het een extra mooie dag. Ik ga straks met mijn oma het dorp in om bij Discotaria de nieuwe elpee van de Beatles te kopen. Help heet die elpee. Ik heb ’m verdiend omdat ik twee dagen geleden een kies heb laten trekken. De tranen liepen over mijn wangen en al die tijd dacht ik: Help, help.

Gebakken vrouwen

Het strand is verlaten, op een man en een vrouw na die op een handdoek liggen. De man leest een boek. Ik, Jan Cremer. Ik loop naar de man en de vrouw toe en zeg dat het een vies boek is. De man glimlacht en vraagt aan me waarom. De vrouw gaat rechtop zitten. Die wil wel even horen wat ik daarover te zeggen heb. ‘Omdat het over pies en poep gaat,’ zeg ik. De vrouw barst in lachen uit. Ik vind dit niet leuk. Gisteren werd er ook al zo om me gelachen en dat terwijl ik hartstikke verdrietig was. Ik verzamel grote schroeven en dikke spijkers en ik was mijn lievelingsmoer kwijt, een hele roestige. Ik liep huilend door de tent en jammerde dat ik mijn ouwe moer kwijt was. Iedereen moest erom lachen. Een man zei dat mijn ouwe moer achter de kassa stond. Ik zeg ‘dag’ tegen het tweetal aan het strand en ren weer verder. Ik hoor mijn opa. Hij roept mijn naam. Ik kijk om en zie zijn bovenlichaam uit het water steken. Hij is garnalen aan het vissen. Vanavond staat hij als acteur op het toneel van Carré en dit is wat hij overdag het liefst doet. Opa zegt dat het net zo leuk is als ouwe moeren verzamelen. Hij duwt een groot schepnet voor zich uit. Vanavond hebben we verse garnalen. Ik houd niet van garnalen, ze zien er zo griezelig uit, maar ik weet dat die van mijn opa de lekkerste van de hele wereld zijn.

Mijn moeder staat bovenaan op het terras. Ze heeft een boterham in haar hand en houdt iets achter haar rug. Zou het een ijsje zijn? Sneller dan een vliegtuig ren ik naar boven. Ze haalt haar hand tevoorschijn. Mijn hart maakt een sprongetje. Help van the Beatles. Oma heeft ’m maar alvast meegenomen. Ik wil ’m nog niet horen. Ik wil het moment zo lang mogelijk uitstellen. Ik heb ook genoeg te doen, verveel me nooit. De eerste badgasten lopen de loopplank af. Ik ga me verstoppen achter de voorste zonnebak. Ik vind het leuk om naar mensen te kijken. Vooral naar vrouwen in kleine bikini’s. Ik weet niet waarom, maar daar word ik heel erg blij van. Ik vind het lekker om op mijn buik in het warme zand te liggen en naar gebakken vrouwen te kijken. Als ze zich dan insmeren met zonnebrand ga ik een beetje woelen.

Fikkie steken

De dag vliegt voorbij. Het is bijna tijd voor Help. Maar eerst gaan we nog even een fikkie steken op het strand. De stoelenman graaft een grote kuil en gooit daar al het vuil in dat is verzameld. Als de stoelenman weg is, gooi ik de papiertjes erbij, lege wikkels die ik zelf heb gespaard. Het brandt niet genoeg, dus ren ik naar boven, de tent in, en ga op zoek naar iets dat flink fikt. Ik vind een paar dozen. Mijn ouders hebben het druk aan de toonbank en zonder dat ze het zien, pak ik een paar van die dozen mee. Wat zijn ze zwaar! Bij de smeulende kuil aangekomen, kieper ik de dozen een voor een erin. Branden doen ze niet, maar roken des te meer. Een hele aparte, zoete geur stijgt uit de kuil op. Als ik weer boven in de tent sta, hoor ik mijn stiefvader aan mijn moeder vragen waar de dozen met Nivea zonnebrand staan. Het wordt tijd om Help te draaien.

De lawine van klanken die uit de verte vanaf de Republiek komt aanrollen, brengt me weer terug naar de tegenwoordige tijd. Misschien maakt een dagje aan het strand van Bloemendaal me wel zo weemoedig, omdat het voor mij de enige plek op deze planeet is die naar vroeger doet verlangen.

 

Deel dit artikel