Jan Cremer is jarig. Tijd voor een anekdote

Actueel

Jan Cremer is jarig. Tijd voor een anekdote

Door -

Deel dit artikel

Held Jan Cremer is vandaag 78 jaar geworden. Bij een speciale dag hoort een speciale anekdote. En die hebben we.

Op 28 februari 1964 verscheen het boek 'Ik, Jan Cremer' en Trouw schreef: 'Jan Cremer hoort in een kliniek thuis of in een tuchthuis. Dat moeten beter bevoegden maar uitmaken. Maar hij hoort zeker niet in staat gesteld te worden, zijn smerigheden en zijn smerige dagdromen in druk te geven...Het boek is slordig gecomponeerd, slecht gestileerd en het wriemelt van de taalfouten...Dat een uitgeverij deze smeerlapperij laat zetten, drukken en in de handel brengen, is het erge.'

Levende, literaire legende

We weten inmiddels wat er gebeurde. Kunstenaar en schrijver Jan Cremer werd met dat boek wereldberoemd. Volgens de auteur zelf zijn er ongeveer 12 miljoen titels van hem verkocht over de hele wereld, zijn zijn boeken vertaald in 12 talen en in meer dan 30 landen verschenen. Kortom, Cremer was in 1 klap niet meer weg te denken uit de kunstwereld en is tot op de dag van vandaag een levende, literaire legende.

Ik ben er dan ook oprecht trots op dat ik erbij was toen hij misschien wel de allergrappigste zin sprak die ooit uit zijn mond kwam. Waarom die zin zo onvergetelijk leuk was, had te maken met de omstandigheden waaronder die woorden uit zijn snelle geest vloeiden.

Het precieze jaartal weet ik niet, maar het moet ergens begin jaren negentig zijn geweest, dat Kees van Beijnum, die toen nog voor Nieuwe Revu werkte en later bekendheid zou krijgen met de roman De Oesters Van Nam Kee, Playboy-collega en auteur Guus Luijters, Cremer en ik in de Amsterdamse binnenstad op zoek waren naar een geschikte lokatie om 'm qua alcoholconsumptie flink te raken.

Een onvervalste animeerzaak

In de Korte Reguliersdwarsstraat wist Cremer wel een leuke tent te zitten. Eenmaal binnen bleek dat we in een onvervalste animeerzaak waren beland waar we al snel omringd werden door dames die op onze portemonnee uit waren. Ik zie Cremer nog staan aan de bar, met een bloedserieus gezicht en een klein stukje in de kraag, met aan zijn linker en rechterzijde een animeermeid, waar hij totaal niet in geïnteresseerd was. Hij had deze zaak uitgekozen voor de sfeer, niet voor het vertier. Opeens richtte hij zich tot ons en riep op luide toon: 'Jongens, nog vragen?' Misschien had je erbij moeten zijn, maar de manier waarop hij het zei en de situatie waarin hij het zei zorgde ervoor dat Kees, Guus en ik niet meer bij kwamen van het lachen. En we wisten ook meteen dat we dat moment nooit meer zouden vergeten.

Jan Cremer, gefeliciteerd met je verjaardag. Met 1 opmerking heb je me nog jaren laten lachen, waarvoor mijn onuitsprekelijke dank.

Deel dit artikel