'Ik heb om je gelachen en ik heb om je gehuild'

Actueel

'Ik heb om je gelachen en ik heb om je gehuild'

Door -

Deel dit artikel

Schrijver en journalist Margriet Marbus schrijft een open brief aan haar vriendje van toen, de gisteren overleden enfant terrible van de Nederlandse fotografie, Paul Blanca (1958 - 2021)

Door Margriet Marbus

Ik zag je voor het eerst op een postkaart van Art Unlimited, in een Goudse boekhandel. De foto zinderde: jij naakt en profile met je zoon Benno in je armen. Een foto waarover iedereen het had. Gespierd, bruin met onderaan het begin van een geslacht waarvan je zag: dat is niet klein. Exotisch. Sexy. Maar ook teder, liefdevol. 

Mijn God, wat een mooie man, dacht ik. Vlak daarna werd je verdacht van de bom onder de auto van Rob Scholte. In de media ontkende je furieus.
Toen ik op de School voor de Journalistiek opdracht kreeg een interview te doen met iemand die ik bewonderde, koos ik voor jou. Via artiestencafé's Het Schuim en Het Paleis kreeg ik van iemand je nummer. Je zat in Limburg waar je aspèrge ging steken om te zien hoe dat was en om het te fotograferen. Kon ik daar naartoe komen?

Ik stapte op de trein en in Geleen haalde je me van het station. Stoned. We gingen eten. Je moest even weg. Totaal van de wereld kwam je terug. Ik sliep in een klein hotel in een kamer met twee eenpersoonsbedden. Kon je blijven slapen? Je had geen auto en moest terug naar een naargeestige aspèrgeboerderij waar de Poolse werknemers in tentjes sliepen. Je bleef. En niet alleen slapen, uiteraard. Die nacht sliepen we helemaal niet. De volgende dag ging ik mee naar de boerderij waar je ruzie kreeg met de boerin. Je zou het wel eens opschrijven, in Revu, vertelde je haar. Hoe ze haar mensen behandelde. 
'Ga je me zwartschrijven? Vuil spuien?' krijste de enorme boerin. En dat deed je.

Je ging mee naar Gouda waar je bij mij thuis zou afkicken. Zweten, schreeuwen, zeven keer per dag douchen. Doodziek was je. Een week later nam ik je mee naar Amsterdam. Ik had een vlucht omdat ik destijds als student in mijn vrije tijd bijkluste als stewardess. 
'Kijk eens wat een mooi meisje?,’ riep je tegen mensen op straat en in de trein. 'Mijn meisje!' 
Twee dagen later, terug uit Miami en weer op Schiphol, stond je daar bij het Martinairgebouw. Met witte rozen. In een Boss kostuum. Je had foto's verkocht, toverde een stapel honderdjes uit je binnenzak. 
'Ga met me mee,' fluisterde je in mijn oor.

Een taxirit en een uurtje later zat ik met een glas champagne in het bad van de bruidssuite van het Amstel Hotel. Kon ik mijn stewardessenpetje in bad ophouden? Roomservice klopte aan met oesters, gerookte zalm en een zwart prutje. Kaviaar. Dat je me voerde met een klein, zilveren lepeltje. Met je dure Bosskleren, waar je niets onder aan had, en je camera stapte je bij me in bad.
Ik was 24, studeerde, woonde op een kamer. Deze droom, dit was iets wat je in Gouda niet meemaakte. Wat een man! Je vertrok naar je galeriehouder in Barcelona waar je expo's deed die direct uitverkochten. 

Mij, een vegetariër, stuurde je vanuit Spanje werk via DHL van een stier, gemaakt van zijn eigen bloed. Een print van je vingers waarop je koppen van dode hanen had gespietst. Van jouzelf met over je hoofd heen de kop van een enorme vis getrokken. 
'Kom naar me toe!!' stond er steevast op de kaartjes die erbij zaten. Ik kocht een ticket en zocht je op. We reden in de oude, open Jeep van je vriend José naar verlaten stranden, champagne, oesters en natuurlijk veel drugs gingen mee. We zwommen naakt in zee. Hadden feesten met kunstenaars, beroemde artiesten, galeriehouders -je vrienden- van over de hele wereld. Overal maakte je foto's van me. Prachtige foto's. Even waren we Frida Kahlo en Diego Rivera in hun goede tijd. 

Helaas bleken de werkelijkheid van de drugs waarvan je enorme hoeveelheden consumeerde, veel sterker dan je vluchtige verliefdheid op mij. Dope sucks, indeed. Je slechte humeur als de dope op was -en vaak ook mijn geld- en het geschreeuw om niks en alles dat steevast uit mijn tas verdween, deden mij al snel afhaken. 
We hielden wel contact, die eerste jaren erna. Gingen zo nu en dan drinken en eten in een club waar je me, ondanks dat ik een serieuze relatie had met de man die nu de vader van mijn kinderen is, steevast op mijn mond probeerde te zoenen. Ik ging er niet in mee, maar vergaf het je wel. Je was nu eenmaal een stapelgekke goser met wie je kon lachen en met prachtige verhalen, behalve die van hoe je als kind werd ontkend. De knijper die je stiefvader op je neus zette zodat je er niet zo een zou krijgen als je Antilliaanse vader. Bij die zure zinnen knepen je ogen zich samen en begreep ik wat de drugs je moesten laten vergeten. 

Hoewel je je verslavingen nooit onder controle had, en de aftakeling die drugs en ouder worden duidelijk zichtbaar met zich mee brachten, had je qua kunst zo nu en dan nog altijd grootse oplevingen. Museabele exposities. De recentelijke foto van jouw nog altijd pezige rug, je broze, stervende moeder in je armen ging de wereld over. Maar toch altijd weer die downfalls, dope, vechtpartijen die je je tanden kostten. 
Toch leek het even goed te gaan. Je had zomaar ineens weer een echte relatie met een jonge, mooie, sterke vrouw. Wie weet komt het uiteindelijk toch nog goed met Paul, dachten een hoop andere mensen. Ik ook. 

Gisteren kwam het nieuws van je overlijden via collega kunstenaar Peter Klashorst. Veel te vroeg uiteraard. Een verrassing maar tegelijk toch ook niet, want iets dat iedereen al jaren aan zag komen.
Paul, je leerde me hoe te leven. Een leven waarvan ik voor jou niet wist dat het bestond. En je leerde me tegelijk hoe vooral niet te leven. Dingen waaraan ik mijn hele verdere leven toch veel aan heb gehad. Als ze daarboven een camera voor je te leen hebben, leg het vast. Een expo in de hemel, wat fotografie betreft maakte je immers het onmogelijke altijd al waar. Hier leef je verder in je foto's en in de onuitwisbare herinneringen die velen aan je hebben. Dag Paul. Wat heb ik met je gelachen. Wat heb ik om je gehuild. Nu: rust.
Eindelijk maak je dat dan toch ook nog mee.

Deel dit artikel